Ontstaan

De Vrijmetselarij is volgens de gangbare verhalen ontstaan in Londen rond 1716 / 1717 door het samenvoegen van vier gezelligheidsclubs die zich ‘lodges’ noemden. Hun oprichtingsvergadering werd gehouden op 24 juni 1717, het feest van Johannes de Doper, een van de schutspatronen van de Vrijmetselarij.

 

Vrijmetselarij voor mannen én vrouwen

Van oudsher was de Vrijmetselarij ‘een mannenaangelegenheid’. Na verloop van tijd kwam hierin verandering en werd in 1893 door Maria Deraismes en Georg Martins ‘Le Droit Humain’ opgericht, een belangrijke organisatie binnen de gemengde Vrijmetselarij.

 

Geen godsdienst

Een wezenlijk kenmerk is dat de Vrijmetselarij géén godsdienst is maar een levenshouding. Voor vrijmetselaren is het een manier van zingeving die zij vinden in de ritualen, de symbolen en de codes binnen de Vrijmetselarij. Door met elkaar de ritualen te beleven en van gedachten te wisselen proberen we naar wijsheid te streven én ons zelf, met vallen en opstaan, beter te leren kennen en daardoor een beter mens te worden. Twee belangrijke uitspraken binnen de Vrijmetselarij zijn ‘Ken U zelve’ en ‘Op U komt het aan’.

 

Inwijdingsgenootschap

Een belangstellende die heeft aangeklopt en het kennismakingstraject heeft doorlopen wordt ingewijd in de eerste graad, die van leerlingvrijmetselaar. Er zijn vele mogelijkheden maar in het algemeen wordt er gewerkt in drie graden, die van leerling, gezel en meester. Hoe komen we aan deze benamingen? Deze dateren uit de tijd van de rondtrekkende kathedralenbouwers. Van de middeleeuwen tot aan het einde van de 18e eeuw bestonden de Gilden voor ambachtslieden waarin de benamingen Leerling, Gezel en Meester aanduidingen waren voor de mate van vakbekwaamheid. Een leerlingvrijmetselaar wordt in het algemeen na één jaar bevorderd tot gezel en weer een jaar later verheven tot meester. Voor deze feestelijke gebeurtenissen bestaan speciale ritualen die met veel liefde en aandacht worden uitgevoerd.

 

Bouwsymboliek

Binnen de Vrijmetselarij wordt gewerkt met symbolische gereedschappen uit de bouwwereld zoals o.a. de passer en de winkelhaak en de hamer en de beitel. Een mens wordt beschouwd als een Ruwe Steen waarvan hij de scherpe kantjes met de hamer en beitel moet bewerken om deze glad te maken. M.a.w. proberen een beter mens te worden.